De lakens bewegen bijna geruisloos aan het voeteinde. Iets kriebeligs kronkelt langs mijn voeten.
Ik ben bedolven onder schijven ui en groene paprika. Ze dobberen massaal in de golven. Ik verdrink. Help!
Uiteindelijk word ik eruit gevist. Met stukken groente en al. Ik kom in een roller-coaster terecht maar merk dat het een sla-zwierder is. Hoofdpijn maar mijn lichaamsdeeltjes kleven niet meer. Met mijn vliesachtige vleugeltjes vlieg ik weg. Gered. Op het nippertje.
Een kolos mept me met een opgerolde krant dood. Pets!
Ik zit in een donkerblauwe buggy. Op de dijk in Knokke. Mijn grootmoeder geeft me een klets op mijn kont omdat ik niet in de kinderwagen blijf zitten. Vloed. Wilde zee. Golven klotsen tegen de dijk. Ik loop weg. Boos op Bomama kruip ik achter de reling van de dijk. Tevreden lach ik. Gewonnen, Bomamaatje! Ze gilt. Haar gezicht staat stijf van de schrik. Ik draai mijn hoofd om, schuif uit en val in de zee.
Ik ben een spin in een leeglopende badkuip. Ik draai dol. De draaikolk van het putje zuig me naar zich toe. Vreet mij op als een onverzadigbare slokop. Ik verdrink.
Ik word wakker in een hospitaal. Ik gil hartverscheurend. Een arts staat naast mijn bed. Hij zegt dat ik drie dagen tussen leven en dood gezweefd heb. Of de medicatie mij geen al te nare nachtmerries bezorgde? Een slang beet mij in de kuit. Een ongenode bedgast.
Mijn been! Mijn been doet zo'n pijn! Ik kijk naar mijn laken en zoek angstvallig naar mijn been. "Waar is mijn been?", schreeuw ik.
"We konden niet anders. We moesten je been wegnemen.", antwoordde de geneesheer zo zakelijk mogelijk.



